Het fysieke duel blijkt steeds meer mijn geheime wapen te worden. Of eigenlijk: mijn enige inzetbare wapen.
Ik voetbal als een meisje (op dat fysieke duel na, dan) omdat ik als jongetje nooit gevoetbald heb.
Hiermee beledig ik de halve wereldbevolking, mijn excuses daarvoor, maar wat ik bedoel: jongetjes houden bijna per definitie van voetbal, en meisjes over het algemeen niet. Al is het maar omdat jongetjes stom zijn. Ik hield niet van voetbal, dus ik voetbalde niet, en mis daarom de ervaring die andere Westerparkers wel hebben.
Gevolg daarvan: ik maai over ballen heen, ik produceer slappe rollertjes, en als ik eens vaart achter een bal weet te krijgen, komt ie zeven van de tien keer terecht bij de tegenstander.
Maar dat fysieke duel — daarin ben ik onovertroffen.
Als ik al mijn 110 kilo in een schouderduw gooi, probeer dan nog maar eens te blijven staan. Als ik bij afwezigheid van wat voor scheidsrechter dan ook heel even mijn onderarm in je zij druk tijdens een sprintduel, zie maar of je die bal krijgt.
Ja: ik word nog gemeen, op m'n oude dag.